EN 531

alt
EN 531
-
Beschermende kledij voor industrie arbeiders die worden blootgesteld aan hitte


Indien medewerkers bij de uitoefening van hun job blootgesteld kunnen worden aan hitte, explosiegevaar of open vuur is de werkgever ertoe gebonden beschermende kledij te voorzien. Deze kledij beschermt haar drager van zodra deze in aanraking komt met hitte of vuur. Concreet gebeurd dit doordat de kledij vlamvertragende eigenschappen bezit die ervoor zorgen dat vlammen of vonken die in aanraking met de kledij komen sneller doven. Indien de kledij toch vuur zou vatten verast de stof zodat de drager geen verwondingen via druppels van smeltend materiaal kan oplopen.

De hiervoor van toepassing zijnde EN 531 bevat 5 specifieke vlam/warmte spec's. Aan de eerste spec (A-vlamverspreiding) moet altijd voldaan zijn en bij ten minste één van de andere bepalingen (B,C,D,E) moet ten minste de laagste klassering (niveau 1) gehaald worden. 

In de etiketten wordt de klassering van het artikel benoemd:

A: Vlamverspreiding (EN532): materiaal 10sec. bevlammen waarna navlamtijd <2sec, nagloei <2sec, geen gatvorming en niet smelten.   
B: Isolatie convectieve warmte (EN367): klassering van B1 tot B5.
C: Isolatie stralingswarmte (EN366): klassering C1 tot C4.
D: Gesmolten aluminium (EN 373): klassering D1 tot D3.
E: Gesmolten ijzer (EN 373): klassering E1 tot E3.

Klasseringen A, B, C, D1 en E1 vallen in risicoklassen II van de richtlijn 89/686/EEG. Wordt klassering D2 E2 op de etiketten vermeld dan valt de kledij in risicoklasse III van de richtlijn. Van zodra code D en/of E genoemd worden, zijn bovendien een aantal modeleisen van toepassing:

- De kledij mag geen metaal aan de buitenzijde bevatten. 
- Alle buitenzakken moeten voorzien zijn van een klep die breder is dan de zak zelf.
- Het ontwerp moet het vangen van metaalspatten in plooien of naden vermijden.
   
 


Opmerking:
EN 531 wordt geleidelijk vervangen door de norm EN ISO 11612 die overal ter wereld geldt.